Het begin, de statie Kleinemeer in Sappemeer

 

Woest en uitgestrekt was het hier, een mysterieus en onherbergzaam gebied dat niet voor niets “Duivelsmeer” werd genoemd. Toch begon men in de 13e eeuw voorzichtig wat stukjes te ontginnen. Vanaf 1600 nam de vraag naar turf sterk toe en werden er grote slagen gemaakt in de ontwikkeling van de veengebieden. Arbeiders, geloofsvluchtelingen en gelukszoekers kwamen vanuit Nederland en Duitsland hierheen en er ontstonden katholieke enclaves. Af en toe kwam er een priester uit de stad naar Sappemeer om ’s avonds – in het geheim – een viering te houden.

Sappemeer werd in korte tijd “de vermakelijkste plaats der geheele Provincie” met veel woningen, boerderijen en buitenplaatsen. Vanwege de grote toename van katholieken kreeg dit gebied in 1705 een eigen priester en werd de woning ’t Börgie omgebouwd tot schuilkerk, de statie Kleinemeer.

De schuilkerk omstreeks 1870, aquarel door W.H. Timans

 

Mensen kwamen van heinde en verre  om hier ter kerke te gaan. Sommigen liepen wel 15 kilometer!

Tegenwoordig herinnert het huis aan de westzijde van de Kleinemeersterstraat in niets meer aan de statie die hier ooit gestaan heeft. Vanaf de straat zag het gebouw er uit als een woonhuis met een grote tuin en landerijen, met de pastorie aan de straatkant en de kerk onopvallend erachter. Achter de kerk stond een schuur met een keuken, twee vergaderruimtes (voor het armen- en kerkbestuur), een washok met pomp, een dorsvloer, een paardenstal, een koeienstal en een varkenshok. De priester was namelijk eveneens boer. De inrichting en het onderhoud werden bekostigd door giften van katholieke families uit de omgeving. Met name in de eerste eeuw van het bestaan hebben parochianen bijzondere geschenken gegeven, zoals vergulde kelken en andere kostbare (zilveren) voorwerpen en een prachtig zilveren altaarkruis. In de onrustige tijd aan het einde van de 18e eeuw werd er een aantal malen ingebroken waarbij kostbare voorwerpen uit de kerk werden gestolen, de pastoor werd belaagd en vernielingen werden aangericht. In 1931 werd het zilveren altaarkruis door een antiquair verkocht aan het Groninger Museum. In 1951 is nog geprobeerd het kruis terug te krijgen, maar de rechten bleken te zijn verjaard. De kerk is rond 1880 afgebroken. In de huidige Willibrorduskerk zijn nog het doopvont uit 1846 en een kruis met corpus uit 1800 uit de oude schuilkerk bewaard.

 

Bronnen 1. De Sint Willlibrorduskerk te Sappemeer, uitgave van Holstein Restauratie Architectuur, 2.Groninger archieven

Deel dit artikel