Over Franciscus gesproken: koning van de rijke jongelui van Assisi (1 t/m 11)

 

Franciscus werd in 1182 in Assisi, in Italië geboren. Als zoon van een rijke lakenhandelaar werkt hij mee in de zaak van zijn vader. Hoffelijk, minzaam en eveneens gewiekst in het zaken doen, verdient hij veel geld, dat hij kwistig uitgeeft aan feesten en banketten. Zijn kameraden roepen hem dan ook uit tot ‘koning van de rijke jongelui van Assisi.’

Het is de tijd waarin de handelssteden zich losmaken uit de feodale macht en zich opwerpen als zelfstandige gemeenten. Franciscus droomt van een militaire carrière. Al jong neemt hij deel aan de oorlog van Assisi tegen de nabuur en rivaal Perugia. Hij wordt gevangen genomen en als hij na een jaar terugkeert naar Assisi, is hij ziek. Hij maakt een tijd door van eenzaamheid en bezinning. In de kerkjes rond Assisi brengt hij uren door in gebed.

Franciscus ontfermt zich over een melaatse

De grote omwenteling in zijn leven is de ontmoeting met de melaatse. Melaatsen… de Middeleeuwen zijn er vol van. Een vreselijke ziekte. Je lichaam wordt gevoelloos, lichaamsdelen sterven af. En de stank die melaatsen verspreiden is enorm.

Franciscus ontmoet op zijn weg naar Assisi een melaatse man. Als hij in de ogen van die breekbare man kijkt, ziet hij als in een flits zijn roeping: ‘Ik wil de Heer dienen in de meest broze mensen.’ Hij omhelst de melaatse als een vriend. En op het eind van zijn leven zal hij in zijn Geestelijk Testament schrijven: ‘Toen ik in zonden leefde, vond ik het erg bitter melaatsen te zien. En de Heer zelf heeft mij tussen hen gebracht en ik heb hen barmhartigheid bewezen. En toen ik bij hen wegging was. wat ik bitter vond voor mij, omgeslagen in zoetheid naar ziel en lichaam.’

In de ogen van de geschonden mens heeft Franciscus iets gezien van de lijdende Heer. En sindsdien heeft hij zich radicaal georiënteerd op Jezus Christus. Later zal hij zijn broeders voorhouden naar de melaatsen te gaan en hen altijd op handen te dragen. Maar de broeders zullen niet enkel dragers zijn van ándermans leed. Ze mogen evenzeer hun éigen hulpbehoevendheid aan elkaar bekennen.

Daarom schrijft Franciscus in zijn Regel: ‘De een mag de ander gerust zijn nood kenbaar maken. En als iemand van hen ziek wordt, moeten de andere broeders hem dienen zoals zij zelf gediend zouden willen worden.’ Zo is dragen een kernwoord geworden in het leven van Franciscus. In zijn ‘Vermaningen’, een soort dagboeknotities, schrijft hij heel ker­nachtig: ‘Gelukkig de mens die zijn naaste in al zijn broosheid draagt, zoals hij door hem gedragen zou willen worden.’

 

2) Over Franciscus gesproken: Ga en herstel mijn huis

Op zekere dag, wanneer Franciscus in het kerkje van San Damiano aan het bidden is vóór het Byzantijnse kruis, hoort hij de Heer tot hem zeggen: ‘Franciscus, ga en herstel mijn huis dat, zoals je ziet, in puin valt.’ Pas later zal hij die woorden echt begrijpen. Het huis dat in verval is en dat hij moet herstellen, is de Kerk zelf. Nu denkt hij enkel aan de vervallen kapel van de heilige Damianus.

‘Ga en herstel mijn huis’

Franciscus wordt metselaar en gaat zelfs uit bedelen om het heiligdom te herstellen. Zijn vader snapt niet meer wat zijn zoon aan het doen is en wil niets meer met hem te maken hebben. Gedurende twee jaar leidt Franciscus een leven als kluizenaar en herstelt hij kerken. Op een dag hoort hij in het door hem herstelde kerkje van O.-L. Vrouw ter Engelen het evangelie over de zending van de apostelen voorlezen. Als in een flits ontdekt hij nu zijn roeping. Zoals de apostelen weet hij zich geroepen om aan mensen de Blijde Boodschap te brengen.

 

Al heel snel sluiten jongeren van Assisi, aangetrokken door zijn levenswijze van geweldloosheid, zich bij hem aan. Daar is ook ene Jan bij, een brave man, een echte bidziel, toppunt van nederigheid. Toch was er iets wat Franciscus niet beviel. Jan was zichzélf niet. Hij wilde Franciscus létterlijk navolgen. Hoestte Franciscus, dan hoestte Jan ook. Snoot Franciscus zijn neus, dan snoot Jan eveneens zijn neus. At Franciscus ’s morgens niet, dan liet Jan ook zijn eten staan. Dat irriteerde Franciscus mateloos. Hoe kan iemand zijn eigen leven gestalte geven door alleen degene te imiteren die hij wil navolgen?

 

Dus riep hij Jan bij zich en zei: ‘Jij moet op jouw éigen wijze je leven vorm geven, op jóuw manier, met jóuw capaciteiten en jóuw mogelijkheden. Probeer die in jezelf te ontdekken. Dan zul je minderbroeder worden en een goede navolger van mij.’ Jan nam die goede raad ter harte. Hij ontplooide al zijn talenten, kreeg een eigen plaats onder zijn mindere broeders en werd een grote vriend van God en de mensen. Al vroeg stierf hij en sindsdien sprak Franciscus niet meer over bróeder Jan, maar over Sint Jan. En tegen alle broeders zei Franciscus: ‘Wees als broeder nooit ontrouw aan jezelf.’

 

Er zit in dit eenvoudige verhaal een kern van waarheid. Franciscus inspireert mij om de weg van de Heer te gaan. Maar ik hoef daarbij niet op mijn tenen te lopen. Zoekend en tastend probeer ik in de vieringen, waarin ik mag voorgaan, mensen te raken met het vuur dat ik in mij voel.

 

3) Over Franciscus gesproken: Over Franciscus gesproken

Jongeren van Assisi voelen zich geraakt door de radicale levenswijze van Franciscus en sluiten zich bij hem aan. Zo is de eerste broederschap geboren. En ze groeit vlug aan. Weldra zal ze enkele duizenden broeders tellen die zich over heel Europa verspreiden. Ze trekken rond en staan door hun armoede en eenvoud dicht bij de gewone mensen. Overal waar ze passeren, brengen ze een geest van vrede, verzoening en lofprijzing. Ze breken met het politiek-religieus systeem van hun tijd, dat van de kerkelijke heerlijkheden en de kruistochten. Franciscus en zijn broeders kiezen een weg van eenvoud en nederigheid. Je zou kunnen zeggen: de weg van het Evangelie. Het Evangelie is een kostbare schat. Maar het komt pas over als een Blijde Boodschap, als dat Goede Nieuws gebracht wordt door mensen die vervuld zijn van oprechte vriendschap en liefde. Franciscus heeft dat prachtig verwoord en in zijn leven laten zien.

 Franciscus van Assisi

Op een zekere dag heeft Franciscus een gesprek met een van zijn broeders, om precies te zijn met broeder Tancredo. Daarin zegt hij iets in deze geest: ‘De Heer heeft ons gezonden om aan mensen het Evangelie te brengen. Maar heb je er al eens over nagedacht, wat dat is: iemand het Evangelie brengen? Het is: hem zeggen ‘Ook van jou houdt God.’ En hem dat niet alleen zéggen, maar het ook echt ménen. En het niet alleen ménen, maar zó met die mens omgaan dat hij voelt en ervaart hoezeer je hem respecteert en waardeert. Dat is hem de goede boodschap melden.

 

Je kunt het niet zonder hem je vriendschap aan te bieden: een werkelijk belangeloze vriendschap zonder neerbuigende vriendelijkheid, vriendschap waaruit vertrouwen en diepe achting spreekt. We moeten naar de mensen gaan. Dat is een delicate zaak. Want de wereld van de mensen is een onmetelijk slagveld waar gevochten wordt om rijkdom en macht. Gods gelaat gaat verborgen achter teveel lijden en wreedheid.

 

Als we naar de mensen gaan, moeten we dat doen als boodschappers van vrede en getuigen van God, mensen zonder minachting en zonder zelfzucht, mensen die in staat zijn, werkelijk hun vrienden te worden. Onze vriendschap verwachten zij, een vriendschap die hun laat aanvoelen, dat God van hen houdt, dat Jezus hen liefheeft.’ Ondertussen was de zon achter de bergen verdwenen. Het was koeler geworden en er was een wind opgestoken die aan de bomen schudde. Bijna was het nacht en overal klonk ononderbroken het gesjirp van krekels.

 

 

Franciscus en Clara (4)

Het leven volgens het Evangelie van Franciscus en zijn eerste broeders, vond al vlug een diepe weerklank in het hart van een jong meisje van adel in Assisi. Ze was 18 jaar en heette Clara. Vastbesloten kwam ze Franciscus vragen haar aan de Heer toe te wijden.

 

Eerst leefde ze teruggetrokken in een klooster van de Benedictinessen, daarna in San Damiano. Een klein klooster dat even buiten Assisi ligt. Hier stichtte Clara de Orde van de Arme Zusters, beter bekend als de Clarissen. Hun ideaal bestond erin de meest verheven contemplatie te verbinden met een leven volgens het Evangelie in de grootste eenvoud en armoede.

 

Zelf heb ik veel bewondering voor Clara. Zij is voor mij een heilige, een warm – menselijke getuige van de levende kerk. Zoals alle heiligen, tot op de dag van vandaag, een tijdloze wegwijzer in de zoektocht van elke gelovige naar zinvol en gelukkig leven. Heiligen zijn spiegels waarin mensen zichzelf kunnen ontdekken. Clara is een van die spiegels.

 

Veertig jaar lang leefde zij een verborgen bestaan in de stilte van het klooster van San Damiano. Franciscus heeft Clara door zijn woord en voorbeeld de weg getoond en geleerd. De weg heet Jezus, de mensgeworden Zoon van God. Samen hebben Franciscus en Clara er voor gekozen om Jezus te volgen. In de arme en nederige Heer ontdekten zij tot welke ongehoorde vrijheid van goddelijk leven zij geroepen waren. Beiden hebben het gewaagd alle schijn, alle bezit, alle macht en eer af te leggen om, zoals Jezus, arm en nederig open te staan voor de volheid van de rijkdom van de Vader.

 

Clara staat vandaag weer levend tussen ons kwetsbare mensen. Vanuit de stilte en de verborgenheid spreekt zij woorden van bemoediging en vrede. De hartstochtelijke liefde die zij ontdekt in de mensgeworden Zoon van God, overtuigt er haar van dat alle mensen zijn opgenomen in zijn liefde. Haar vreugde overwint elke negativiteit. Graag wil ik in de volgende aflevering kijken naar haar leven zoals het ons wordt verteld door de zusters die jarenlang samenleefden met haar. Luisteren naar Clara is op zoek gaan naar leven, naar waarachtig leven.

 

5) Over Franciscus gesproken: Hoe Clara en Franciscus Kerstmis beleefden

Franciscus was ontroerd, blij en dankbaar als hij Kerstmis vierde. In Greccio, een klein stadje in Italië, bracht hij mensen op de been om midden in de nacht dit kerstgebeuren samen te beleven. In een bouwvallige schuur werd met een levende os en ezel en een kribbe het kerstverhaal in scene gezet. De mensen trokken met brandende fakkels, zingend en biddend naar de schuur waar Franciscus het kerstevangelie zong en preekte over dit Mysterie van Gods Menswording. Het raakte de mensen die nu van dichtbij konden beleven onder welke omstandigheden Jezus werd geboren.

Toch vond Franciscus dat er echt feest gevierd moest worden. Met Kerstmis moest de dank­baar­heid van de gezichten stralen en iedereen, ja heel de schepping moest kunnen meegenieten van Gods komst in ons menselijk bestaan. Van Franciscus, die heel streng en sober leefde, mocht er op Kerstmis niet gevast worden. Zelfs niet op Vrijdag, de dag van de kruisdood van de Heer.

Franciscus prepareert de kerststal

En bij Clara, zijn trouwste volgelinge, treffen we dezelfde feestelijke beleving van het kerstmysterie aan. In haar leefregel – de eerste kloosterregel door een vrouw geschreven – schrijft zij: “De zusters zullen altijd vasten, maar met Kerstmis, op welke dag dat ook valt, mag hen tweemaal een maaltijd worden opgediend.”

Op het einde van haar leven is zij niet in staat om naar de nachtmis te gaan. Zij moet in bed blijven. Toch was zij met haar hart zo geheel betrokken op dit Mysterie van Gods liefde, dat zij desondanks vanaf haar ziekbed alles helemaal meebeleefde. Haar levensbeschrijver vertelt dit aldus: “Zoals Clara in haar ziekte bij haar Christus was, zo bezocht ook Christus haar in haar ziek zijn”. In die kerst­nacht, wanneer de wereld met de engelen het pasgeboren kind toejuicht, gingen alle zusters naar de kapel voor het vroege ochtend­ge­bed en lieten hun zwaar zieke moeder abdis alleen. Toen Clara over de pasgeboren Jezus begon na te denken en zij er verdrietig over was dat zij niet aan hun lofzangen kon deelnemen, verzuchtte zij: “Heer God, daar ben ik nu, op deze plaats helemaal alleen bij U achtergelaten.”

Toen begon haar plotseling dat wonderbare gezang, dat in de kerk van de heilige Franciscus gezongen werd, in de oren te klinken. Zij hoorde de jubel van de zingende broeders, zij luisterde naar de liederen van de zangers. En dan te bedenken dat die kerk helemaal niet zo dichtbij was. Dus menselijkerwijs zou dit niet te horen zijn geweest, als niet door Gods werking die plechtigheid bij haar was gebracht, ofwel haar gehoor boven menselijke maat was gescherpt.

Wat heel dit klankwonder nog overtrof, was dat zij zelfs de kribbe van de Heer mocht zien. Toen haar zusters ’s morgens bij haar kwamen, zei Clara: “Gezegend zij de Heer Jezus Christus. Toen jullie mij alleen gelaten hebben, heeft Hij, de Heer, mij niet alleen gelaten. Door de genade van Christus heb ik werkelijk de hele plechtigheid gehoord, die deze nacht in de kerk van de heilige Franciscus gevierd werd.”

Natuurlijk kan ik mij voorstellen dat u zich afvraagt of deze gebeur­te­nis geen verzinsel is. Maar meerdere zusters, die samen met Clara leefden, vertelden dit gebeuren, in het proces van onderzoek naar de heiligheid van Clara, na haar dood.

Wij mensen van deze tijd hebben moeite met dit soort vrome verhalen. Per­soon­lijk ben ik wel wat jaloers op Franciscus en Clara. Zij gingen helemaal op in Gods liefde en tederheid, zoals die tot uiting kwam en komt in zijn Menswording. God wil bij ons komen, niet oppermachtig en afstandelijk, maar ontroerend nabij als een kwetsbaar kind, dat onze liefde en gelovige verzorging vraagt in de kwetsbare mensen om ons heen.

 

6) Over Franciscus gesproken: Op bezoek bij de Sultan

Voor Franciscus gaat het verkondigen van het evangelie gepaard met een leven van intens gebed en beschouwing. Vaak trekt hij zich terug in de eenzaamheid van een kluis om er al mediterend weg te zinken in het mysterie van Gods aanwezigheid. Hier is het dat Franciscus de evangelische geest inademt, terwijl hij zich dagen en weken lang overgeeft aan de meditatie van de levende aanwezigheid van Christus. Franciscus heeft Christus hartstochtelijk liefgehad: hij zag in Hem God zelf die zich meedeelde aan de wereld: de grenzeloze doorbraak van Gods liefde. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de hele wereld zijn actieterrein was. Aan alle mensen wou hij het Evangelie brengen.

Franciscus bij sultan Melek Al Kamil

Met gevaar voor eigen leven trok hij naar Egypte om er de sultan te ontmoeten. Franciscus vertelt ons daarover het volgende verhaal (met het woord ‘Saracenen’ zijn de Islamieten bedoeld).

‘Mijn bezoek aan sultan Melek – Al – Kamil was een omstreden zaak. Paus Innocentius was bezeten van de kruistochtgedachte. De Saracenen, die het Heilig Land hadden veroverd en Europa bedreigden, moesten bestreden worden in een ‘heilige oorlog.’

Maar ik vroeg me af, of dit de manier is om ongelovigen tot geloof te brengen. Volgens mij is de onverdraagzaamheid van een ‘heilige oorlog’ in strijd met ons ideaal van vrede en geweldloosheid. Door oorlog wordt het Rijk Gods niet opgebouwd.

Daarom besloot ik de kruisvaartridders achterna te gaan. Niet om aan hun zijde mee te vechten, maar om met de sultan in gesprek te komen. Ik weigerde elke bescherming van mijn tocht, zoals aanbevelingsbrieven van de Paus en dergelijke. Geheel weerloos ben ik op weg gegaan, dit in tegen­stel­ling tot de kruisvaartridders, die tot de tanden gewapend waren.

In 1219 kwam ik aan in het kamp van de kruisvaarders te Damiate. Ik heb nog geprobeerd hen van een slachtpartij af te houden. Tevergeefs! Zij werden verslagen en op de vlucht gedreven.

Met broeder Illuminato ben ik toen op weg gegaan naar de sultan. Wij voelden ons als schapen onder wolven. De voorposten van de Islamieten pakten ons op, en dat gebeurde niet bepaald zachtzinnig; zij dachten, dat ze met kruisvaarders te doen hadden. Wij riepen voordurend: ‘Sultan, sultan, sultan’, het enige woord dat wij in hun taal kenden. Langzamerhand gingen de soldaten begrijpen, dat wij de sultan zelf wilden zien. Zij vermoedden, dat wij misschien wel belast waren met een geheime opdracht, na de nederlaag van de christenen. Daarom werden wij bij sultan Melek – Al – Kamil gebracht.

Deze vroeg ons, uit wiens naam en met welke bood­schap wij kwamen. Wij maakten hem duidelijk, dat wij niets met de kruistocht te maken hadden, dat wij geen geloofsbrieven hadden en geen diplomatieke opdracht, maar enkel kwamen in naam van het evangelie.

De sultan luisterde welwillend naar ons, ook toen wij op enthousiaste wijze ons geloof beleden. Vooral raakte hij geboeid door de punten van over­een­komst tussen de levenswijze volgens het evangelie en de levenswijze volgens de koran, want de sultan was een gelovig man. Toch waren we niet in staat hem tot het evangelie over te halen.

‘Al hebben we ons doel niet bereikt, ik blijf geloven in de macht van de liefde.’

 

7) Over Franciscus gesproken: De bekering van Franciscus

De ontmoeting met een melaatse betekende voor Franciscus de grote ommekeer in zijn leven. Hij herkent in die gehavende mens het gelaat van de Heer; hij ontmoet in die mens ook zijn eigen kwetsbaarheid. Diep geraakt gaat hij naar het melaatsenhuis om daar aan al die getekende mensen zijn geld uit te delen. Zijn vader is woedend en eist het geld terug. Franciscus doet dan, in het bijzijn van de bisschop, afstand van alles, zelfs van zijn kleren, en zegt: ‘Nu heb ik alleen nog de Vader in de hemel.’

Er volgen een paar jaar van bidden en zoeken wat de Heer God van hem wil. In het oude, vervallen kapelletje van de H. Damianus zit hij geknield voor het kruis en hoort: ‘Franciscus, herstel mijn huis, dat dreigt in te storten.’ Hij gaat stenen bedelen en olie voor het lichtje bij het kruisbeeld en slaat aan het metselen.

Over de kapel van portiuncula in Assisi is de Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van de engelen gebouwd.

Dan krijgt hij broeders die hem willen volgen. En hij trok met ze naar Portiuncula. Daar was lang geleden een kerk gebouwd ter ere van de Moeder Gods. Nu was de kerk verlaten en niemand bekommerde er zich meer om. Toen Franciscus zag hoe vervallen de kerk was, was hij zeer ontdaan, want hij was de Moeder van alle goeds zeer toegewijd. Hij besloot daar voorgoed te blijven wonen.

De kroniekschrijver schreef:

Franciscus was bescheiden van karakter, nederig van geest, en wilde de mindere zijn, ondergeschikt aan allen. Toch koos hij voor zich en zijn broeders Portiuncula uit, een kleine ‘portie’ van de wereld, omdat hij daar nu eenmaal in leefde. Want als hij helemaal geen stukje van de wereld zou hebben, zou hij Christus niet kunnen dienen.

Blijkbaar had God met deze plaats zijn bedoeling. Van oudsher was ze bestemd voor hen die niets van de wereld moesten hebben. Men noemde haar: ‘Portiuncula’, ‘het kleine erfdeel.’ Er was daar ook een kapelletje, dat aan de Moedermaagd gewijd is. Vanwege haar uitzonderlijke nederigheid heeft zij verdiend, ná haar Zoon aan het hoofd van alle heiligen te staan.

Daar is de orde van de Minderbroeders gesticht. Daar is ook het aantal broeders gegroeid. Zo werd die plaats een stevig fundament waarop een edel bouwwerk is verrezen. Voor die plaats had Franciscus een bijzondere voor­liefde en hij drukte zijn broeders op het hart, haar met bijzonder veel respect in ere te houden. Hij wilde ook, dat die plaats als het ware een spiegel zou zijn voor de hele orde; daarom moest vooral hier de nederigheid en de allerhoogste armoede nauwgezet in acht worden genomen. Om die reden liet hij het bezit ervan aan anderen, maar het gebruik ervan reserveerde hij voor zichzelf en zijn broeders.

(Van de benedictijnen van de berg Subasio, die eigenaar waren van Portiuncula, mocht hij het kerkje in gebruik nemen. Franciscus wilde dit stukje grond niet in eigendom ontvangen en stuurde elk jaar een mandje vis naar de abdij als huur. Daarmee wilde hij erkennen: het is niet van ons)

In Portiuncula heeft Franciscus voor het eerst van zijn leven hemelse dingen leren kennen. Het was Gods wil, dat hij op deze plaats ook naar de hemel zou opgaan. Naast het oude kerkje is nog steeds de cel waar Franciscus gestorven is.

Natuurlijk wist Franciscus wel dat het hemelrijk overal op aarde te vinden is; ook geloofde hij vast, dat de goddelijke genade op elke plaats aan Gods uitverkorenen wordt uitgedeeld. Toch had hij ondervonden, dat de kerk van Santa Maria in Portiuncula rijk met goddelijke genade bedeeld was.

Daarom zei hij ook dikwijls tegen zijn broeders: ‘Denk erom, mijn zonen, verlaat nooit deze plaats. Als ze jullie er aan de ene kant uitgooien, kom er dan aan de andere kant weer binnen. Want deze plaats is echt heilig en een woning van God. Hier heeft de Allerhoogste, toen we nog maar met weinigen waren, ons aantal vergroot; hier heeft Hij met het licht van zijn wijsheid de harten van zijn arme volgelingen verlicht; hier heeft Hij door het vuur van zijn liefde onze inzet aangewakkerd. Houd daarom mijn zonen, deze plaats waar God woont in ere, zingt de Heer jubelend toe en verheerlijk God hier met heel je hart.’

 

8) Over Franciscus gesproken: Franciscus, door de ogen van Philippus

Iemand die het boek ‘Francesco’ had gelezen vond Franciscus van Assisi maar een vreemde man. Zijn ascese is soms zo tegen het lichaam gekeerd! Hij beulde het af als een ezel. In deze tijd onderschrijven wij die houding ten aanzien van het lichaam niet zo. Hij rolt naakt door de sneeuw om bekoringen te verdrijven, geselt zich, strooit as in zijn eten, draagt een broeder als straf op om in het vrieskoude water te springen, met zijn mond geld op ezeldrek te leggen of in onderbroek de preek­stoel op te gaan.

Die verhalen stammen uit de Middeleeuwen. Versta ze niet te letterlijk! Ze moesten beantwoorden aan het beeld van heiligheid dat men toen had. Zo moest een heilige wonderen gedaan hebben en de wereld verachten. De mens Franciscus lijkt daardoor soms verdwenen achter legendes, zoals achter een wolk. Maar dezelfde verhalen laten ook een prachtige mens zien. “Een mens die mateloos was in alles”, zoals Helene Nolthenius* zegt. Ze zijn dikwijls symbolisch bedoeld, denk ik. Ze drukken uit wat de mensen toen van hem vonden en ze overdrijven ook wel eens, zoals een kind dat zijn mamma de liefste van de hele wereld vindt.

Sterven en hemelvaart van Franciscus
(fresco van Benozzo Gozzoli)

In al die verhalen komt Franciscus naar voren als een zeer aardse mens: hij is vol ver­won­de­ring over Gods schepping. Hij bezingt alle wezens in zijn Zonnelied: broeder zon en zuster maan. Water en vuur, en zelfs zuster dood. Hij voelt zich één met de natuur, hij raakt ontroerd door haar schoonheid, huilt als hij de kleurenpracht van bloemen ziet, hij loopt zingend door de bossen van Umbrië, zingt van vreugde, zich begeleidend op een viool van twee stokken. Hij preekt voor de vogels, dieren willen niet bij hem weg, zelfs een krekel niet.

Maar door die aarde en die schepping heen, gaat hij meteen naar de Schepper. Alles komt voort uit Gods hand en is ver­bonden. En zolang een broeder of zuster lijdt, weet Franciscus wat hem te doen staat. Hij staat naast die mens, wil achter de lijdende mens zijn Schepper zien en eren. Hij houdt de aarde niet vast, hij eigent zich de aarde niet toe, hij wil dat alles niet bezitten. De aarde is van God. Franciscus leent de aarde, de mens mag erop wonen, haar bewerken en hoeden, want de Heer van de Schepping schenkt de aarde aan ons… ‘te leen’, zegt Franciscus. De aarde is van ons allemaal. Niet van enkele landen of van een klein groepje mensen.

Franciscus is aards, niet materialistisch, integendeel. Daarom is Franciscus nu voor ons in deze tijd een inspiratiebron en een protest tegen de hebzucht en het graaien, waar we getuigen van zijn, tegen de uitbuiting en de vernieling van de Schepping, de diefstal van het groot kapitaal van de aarde, die even goed van de armen is.

Franciscus houdt zielsveel van de aarde, leeft er mateloos in, omdat hij in de Schepping tegelijk in God is. Hij eigent zich de aarde niet toe, daarom is hij arm, dat is de kern van zijn armoede, want hij leent alles van de Heer.

Als hij sterft, laat hij zich naakt op de grond leggen, als bij zijn geliefde en geniet ook nog zo goed als hij kan van de koekjes die vrouwe Jacoba -hij noemt haar broeder Jacoba- meebracht.

Welke heilige sterft zo? Leeuweriken zingen hem ten afscheid, in cirkels boven zijn hoofd vliegend. Van welke andere heilige kun je een boek vol tekenen?

*) Helene Nolthenius (1920-2000) was musicoloog en cultuurhistoricus. Een erudiete vrouw, werkzaam als (buitengewoon) hoogleraar aan de Uni­ver­si­teit Utrecht. Haar boek over Franciscus, Een man uit het dal van Spoleto, is veel gelezen en geroemd. Zij plaatst Franciscus in zijn tijd.

 

9) Over Franciscus gesproken

De voetstappen van de Heer volgen, dat was wat Franciscus van Assisi wilde. En dit niet bedoeld als een soort bovenmenselijk ascetisch ideaal, waarbij je iets nastreeft wat je kracht als mens te boven gaat, maar gewoon je menselijk bestaan aanvaarden met alles wat dat meebrengt.

Franciscus was er diep door gegrepen, dat Gods Zoon echt het menselijk bestaan heeft aanvaard. Daar kwam hij nooit over uitgedacht: de Zoon van God heeft het menselijk bestaan aanvaard met alle kwetsbaarheid, die daaraan vastzit! En Hij heeft die kwetsbaarheid ten volle willen ervaren door het leven van de meest gewone mensen te delen.

Een bergspelonk verkiezen boven een hotel

Door arm te worden en de behoeftige omstandigheden te delen, die in zijn tijd juist gewone mensen in Israël dagelijks ondervonden. Hoe Hij rondtrok zonder middelen van bestaan, afhankelijk van de goedheid van mensen, zonder iets om zijn hoofd op neer te leggen (Lucas 9, 58). Hoe Hij de dienaar van allen werd, juist ook van hen, die niet meetelden en op wie door velen werd neergezien. En hoe Hij zó de waardigheid van iedere mens liet zien en een man van vrede werd. Die armoede van Jezus zonder bestaanszekerheid wilde Franciscus delen.

Zo eenvoudig mogelijk leven met alles wat dat met zich meebrengt. “Ik, kleine broeder Franciscus, wil het leven en de armoede volgen van onze allerhoogste Heer Jezus Christus en van zijn aller­heiligste moeder en hierin volharden tot het einde toe.” Als broeder van allen, met eerbied voor alle mensen, als man van vrede. Zo ging Franciscus in 1219 naar het Heilig Land als man van vrede en trad de Islamieten met eerbied tegemoet, terwijl de kruisvaarders meenden hen in naam van God te moeten verdelgen.

Franciscus kwam er ziek van terug en heeft ongetwijfeld ervaren, dat het leven in het heilig land voor de gewone mensen geen idylle was, maar een hard en armoedig bestaan. Toen heeft hij nog dieper ervaren wat Jezus op zijn tochten moet hebben doorstaan en wat het betekent “de voetstappen van de Heer te volgen.”

Op de tocht naar Israël, die ik samen met een medebroeder heb mogen maken, was dat één van de dingen, die op ons veel indruk hebben gemaakt. Zeker, de onmiddellijke omgeving van het meer van Genesareth, waar Jezus vaak rondtrok, is heel aantrekkelijk, maar veel streken in het land zijn dor en onherbergzaam. Als je daar dan geriefelijk rond­reist bedenk je wel, wat het geweest moet zijn daar grote afstanden te voet af te moeten leggen. En ’s nachts niet te verblijven in een aangenaam hotel, maar in een of andere spelonk (die zijn er vele in het gebergte!) beschutting te moeten zoeken na een vaak karig maal.

Hoe primitief in een soort rotswoning Maria en Jozef in Nazareth hebben geleefd. En wat de afstand was, die Maria te voet moest afleggen om haar nicht Elisabeth te gaan dienen. Om nog maar niet te spreken van de laatste tocht, die Jezus als gevangene moest gaan van de Olijfberg tegen de steilte omhoog naar de stad en onder de last van het kruis door de oneffen straten omhoog naar Calvarieberg!

10) Over Franciscus gesproken: De eigenlijke armoede van Franciscus

Franciscus, geboren in een welgestelde familie, deed tegenover zijn vader en ten overstaan van bisschop Guido van Assisi, afstand van alle bezit. Gedwongen armoede is een groot onrecht in onze wereld. Maar ook de zelfgekozen armoede van Franciscus kan geen doel op zich zijn maar slechts een middel. Waartoe dan eigenlijk?

In een tijd van groeiend kapitalisme met als gevolg een schrijnende kloof tussen arm en rijk (ook toen al!), had de keuze voor de armoede bij Franciscus zeker tot doel afstand te nemen van deze heilloze ont­wik­ke­ling. En daarnaast was het voor hem zeker ook een middel om zich te bevrijden van de schijnzekerheden, die maar al te vaak suggereren, dat we onze zekerheid en ons houvast zouden kunnen vinden in onszelf.

Franciscus, de heilige zondaar

Hier raken we de meest wezenlijke armoedebeleving van Franciscus, waar het hem eigenlijk om te doen was. Door al die schijnzekerheden van geld, bezit, status weg te doen en alles weg te doen waardoor je voor jezelf en anderen gewichtig en indruk­wek­kend lijkt, wilde hij zich ervan bewust worden, wie hij werkelijk was. Wat hij waard was voor God. Franciscus was gewoon te zeggen: Je bent waard wat je waard bent voor God en niets meer!

En dan noemt hij zich een groot zondaar. Hoe kan dat nu? Misschien dat hij vroeger, voor zijn doorbraak (bekering), er op los heeft geleefd? Dat bedoelt hij niet! Dan moet het toch wel een vergissing zijn of een soort valse nederigheid. En ook dat is niet het geval. Het is de uiting van zijn diep besef van de overweldigende grootheid van God en hoe hij alles alleen aan Hem te danken heeft. Hij ziet zichzelf in zijn afhankelijkheid en in zijn tekorten tegenover de liefde van God, die hem niet alleen aanvaardt maar ook overlaadt met gaven. En hij ervaart zijn zondigheid hierin, dat hij daar te weinig dankbaar voor is en er te gedachteloos langs heen leeft.

Daarom zingt hij van vreugde en dank­baar­heid in het besef, dat alles een gave is van Gods goedheid, die hij zo overvloedig mag ondervinden. En tegelijk is hij zich scherp bewust, wat hij zelf is in zijn armzaligheid en gebrekkigheid en zijn tekorten. Omdat alles gave is moeten wij het allen van die goedheid hebben en is niemand meer dan de ander, maar zijn wij allen broeders en zusters.

Erkennen wie God is en wie u zou zijn zonder Hem, dat is de wezenlijke armoede van de mens, die Franciscus diep beleeft. Maar zijn zondebesef drukt hem niet terneer, het maakt alleen zijn dank­baar­heid nog groter, want daardoor komt in zijn leven de goedheid van God nog duidelijker uit!

Franciscus, de heilige zondaar, zou je kunnen zeggen!

 

 

Over Franciscus gesproken: Veelzijdig en eenvoudig, diep en direct (11)

 

Als er één heilige geschapen is als een licht voor deze van God verlaten eeuw, dan is het wel Franciscus van Assisi. Franciscus is een antwoord op ons heimwee. Zijn leven is een uitdrukking van alles waar wij om schreeuwen: vrede, ontwapening, eenvoud, eerbied voor de schepping. Franciscus brandt als een vuur. Er is iets onmetelijks in hem. Hij heeft een directe verbinding met het geheim van de dingen. Zijn ziel ligt volslagen open voor de openbaring van God, die hem tegemoet komt uit de hele kosmos, tot in de kleinste mier aan zijn voeten. Maar zijn grootste liefde is Jezus Christus, die hij met handen en voeten uitgraaft uit de bestofte visie van zijn tijd en tot de grote Levende en Lijdende van zijn bestaan maakt.

 

 

De gestalte van Franciscus is zo begeesterend en veelzijdig, dat er een reeks van legenden nodig is geweest om de gloed van zijn wezen te vertalen. Zijn medebroeders waren boordevol verbazing, zij konden niet over hem uit, zij stotterden van vurigheid over wat hen overkwam in Franciscus, precies zoals de volgelingen van Jezus uitbarstten in verhalen over hun Heer. Het frappante is, dat Franciscus er geen diepzinnige beschouwingen op nahoudt, maar doodeenvoudig letterlijk doet wat het evangelie van hem vraagt.

 

Misschien is dat juist zijn mystiek. Zijn grootheid ligt in de complete en doodsimpele manier waarop hij Jezus navolgt. Als de Heer hem in zijn eerste visioen in het kerkje van San Damiano* vraagt: “Herstel mijn Kerk”, denkt Franciscus er niet aan, naar de bisschop of de

paus te gaan en theologische vernieuwingen voor te stellen, maar hij begint eigenhandig het vervallen kerkje op te knappen, als een bouwvakker. Dat is zijn geheim: hij doet het gewone. Franciscus doet nooit iets half en kent geen beperkende overwegingen.

 

Zo voltrekt zich ook zijn ommekeer. Een tijd lang hoort hij Gods gelispel al aan zijn hart, terwijl hij als welgestelde koopmanszoon allerlei avonturen zoekt. Hij voelt zich wonderlijk aangetrokken tot armen en bedelaars en tot allen die aan de rand van het bestaan zijn terecht gekomen. Tegelijk leidt hij een verkwistend leven en droomt van een roemrijke toekomst als ridder. Maar God schuift telkens een stukje van de sluier weg, waardoor de naakte waarheid zich aan Franciscus openbaart. Hij gaat de onoprechtheid van de kerkelijke en wereldlijke heersers doorzien en begrijpt uiteindelijk dat er maar één Heer is die hij wil dienen: het vleesgeworden Woord van God, de miskende en gekruisigde Jezus Christus.

 

Middenin een feest – waarvan hij de aanvoerder is – staat hij stokstijf stil en staart in het oneindige: hij is doorgebroken naar de regionen waar God hem hebben wil en waar alles één en heel is.

 

*Voordat Franciscus het visioen ontving in het

kerkje van San Damiano, bad hij:

 

Hoogste, roemrijke God,

verlicht de duisternis van mijn hart

en geef mij het juiste geloof,

de vaste hoop en de volmaakte liefde,

de ervaring en het geestelijk zintuig, Heer,

om uw heilig gebod waarachtig te kennen

en te volbrengen.

 

 

Pater Bertus Bus

(Bron: www.katholiekbommelerwaard.nl)

 

Pater Bertus Bus

 

(bron: www.katholiekbommelerwaard.nl)

 

 

 

 

 

 

 

Deel dit artikel