Over Franciscus gesproken: koning van de rijke jongelui van Assisi

 

Franciscus werd in 1182 in Assisi, in Italië geboren. Als zoon van een rijke lakenhandelaar werkt hij mee in de zaak van zijn vader. Hoffelijk, minzaam en eveneens gewiekst in het zaken doen, verdient hij veel geld, dat hij kwistig uitgeeft aan feesten en banketten. Zijn kameraden roepen hem dan ook uit tot ‘koning van de rijke jongelui van Assisi.’

Het is de tijd waarin de handelssteden zich losmaken uit de feodale macht en zich opwerpen als zelfstandige gemeenten. Franciscus droomt van een militaire carrière. Al jong neemt hij deel aan de oorlog van Assisi tegen de nabuur en rivaal Perugia. Hij wordt gevangen genomen en als hij na een jaar terugkeert naar Assisi, is hij ziek. Hij maakt een tijd door van eenzaamheid en bezinning. In de kerkjes rond Assisi brengt hij uren door in gebed.

Franciscus ontfermt zich over een melaatse

De grote omwenteling in zijn leven is de ontmoeting met de melaatse. Melaatsen… de Middeleeuwen zijn er vol van. Een vreselijke ziekte. Je lichaam wordt gevoelloos, lichaamsdelen sterven af. En de stank die melaatsen verspreiden is enorm.

Franciscus ontmoet op zijn weg naar Assisi een melaatse man. Als hij in de ogen van die breekbare man kijkt, ziet hij als in een flits zijn roeping: ‘Ik wil de Heer dienen in de meest broze mensen.’ Hij omhelst de melaatse als een vriend. En op het eind van zijn leven zal hij in zijn Geestelijk Testament schrijven: ‘Toen ik in zonden leefde, vond ik het erg bitter melaatsen te zien. En de Heer zelf heeft mij tussen hen gebracht en ik heb hen barmhartigheid bewezen. En toen ik bij hen wegging was. wat ik bitter vond voor mij, omgeslagen in zoetheid naar ziel en lichaam.’

In de ogen van de geschonden mens heeft Franciscus iets gezien van de lijdende Heer. En sindsdien heeft hij zich radicaal georiënteerd op Jezus Christus. Later zal hij zijn broeders voorhouden naar de melaatsen te gaan en hen altijd op handen te dragen. Maar de broeders zullen niet enkel dragers zijn van ándermans leed. Ze mogen evenzeer hun éigen hulpbehoevendheid aan elkaar bekennen.

Daarom schrijft Franciscus in zijn Regel: ‘De een mag de ander gerust zijn nood kenbaar maken. En als iemand van hen ziek wordt, moeten de andere broeders hem dienen zoals zij zelf gediend zouden willen worden.’ Zo is dragen een kernwoord geworden in het leven van Franciscus. In zijn ‘Vermaningen’, een soort dagboeknotities, schrijft hij heel ker­nachtig: ‘Gelukkig de mens die zijn naaste in al zijn broosheid draagt, zoals hij door hem gedragen zou willen worden.’

 

2) Over Franciscus gesproken: Ga en herstel mijn huis

Op zekere dag, wanneer Franciscus in het kerkje van San Damiano aan het bidden is vóór het Byzantijnse kruis, hoort hij de Heer tot hem zeggen: ‘Franciscus, ga en herstel mijn huis dat, zoals je ziet, in puin valt.’ Pas later zal hij die woorden echt begrijpen. Het huis dat in verval is en dat hij moet herstellen, is de Kerk zelf. Nu denkt hij enkel aan de vervallen kapel van de heilige Damianus.

‘Ga en herstel mijn huis’

Franciscus wordt metselaar en gaat zelfs uit bedelen om het heiligdom te herstellen. Zijn vader snapt niet meer wat zijn zoon aan het doen is en wil niets meer met hem te maken hebben. Gedurende twee jaar leidt Franciscus een leven als kluizenaar en herstelt hij kerken. Op een dag hoort hij in het door hem herstelde kerkje van O.-L. Vrouw ter Engelen het evangelie over de zending van de apostelen voorlezen. Als in een flits ontdekt hij nu zijn roeping. Zoals de apostelen weet hij zich geroepen om aan mensen de Blijde Boodschap te brengen.

 

Al heel snel sluiten jongeren van Assisi, aangetrokken door zijn levenswijze van geweldloosheid, zich bij hem aan. Daar is ook ene Jan bij, een brave man, een echte bidziel, toppunt van nederigheid. Toch was er iets wat Franciscus niet beviel. Jan was zichzélf niet. Hij wilde Franciscus létterlijk navolgen. Hoestte Franciscus, dan hoestte Jan ook. Snoot Franciscus zijn neus, dan snoot Jan eveneens zijn neus. At Franciscus ’s morgens niet, dan liet Jan ook zijn eten staan. Dat irriteerde Franciscus mateloos. Hoe kan iemand zijn eigen leven gestalte geven door alleen degene te imiteren die hij wil navolgen?

 

Dus riep hij Jan bij zich en zei: ‘Jij moet op jouw éigen wijze je leven vorm geven, op jóuw manier, met jóuw capaciteiten en jóuw mogelijkheden. Probeer die in jezelf te ontdekken. Dan zul je minderbroeder worden en een goede navolger van mij.’ Jan nam die goede raad ter harte. Hij ontplooide al zijn talenten, kreeg een eigen plaats onder zijn mindere broeders en werd een grote vriend van God en de mensen. Al vroeg stierf hij en sindsdien sprak Franciscus niet meer over bróeder Jan, maar over Sint Jan. En tegen alle broeders zei Franciscus: ‘Wees als broeder nooit ontrouw aan jezelf.’

 

Er zit in dit eenvoudige verhaal een kern van waarheid. Franciscus inspireert mij om de weg van de Heer te gaan. Maar ik hoef daarbij niet op mijn tenen te lopen. Zoekend en tastend probeer ik in de vieringen, waarin ik mag voorgaan, mensen te raken met het vuur dat ik in mij voel.

 

3) Over Franciscus gesproken: Over Franciscus gesproken

Jongeren van Assisi voelen zich geraakt door de radicale levenswijze van Franciscus en sluiten zich bij hem aan. Zo is de eerste broederschap geboren. En ze groeit vlug aan. Weldra zal ze enkele duizenden broeders tellen die zich over heel Europa verspreiden. Ze trekken rond en staan door hun armoede en eenvoud dicht bij de gewone mensen. Overal waar ze passeren, brengen ze een geest van vrede, verzoening en lofprijzing. Ze breken met het politiek-religieus systeem van hun tijd, dat van de kerkelijke heerlijkheden en de kruistochten. Franciscus en zijn broeders kiezen een weg van eenvoud en nederigheid. Je zou kunnen zeggen: de weg van het Evangelie. Het Evangelie is een kostbare schat. Maar het komt pas over als een Blijde Boodschap, als dat Goede Nieuws gebracht wordt door mensen die vervuld zijn van oprechte vriendschap en liefde. Franciscus heeft dat prachtig verwoord en in zijn leven laten zien.

 Franciscus van Assisi

Op een zekere dag heeft Franciscus een gesprek met een van zijn broeders, om precies te zijn met broeder Tancredo. Daarin zegt hij iets in deze geest: ‘De Heer heeft ons gezonden om aan mensen het Evangelie te brengen. Maar heb je er al eens over nagedacht, wat dat is: iemand het Evangelie brengen? Het is: hem zeggen ‘Ook van jou houdt God.’ En hem dat niet alleen zéggen, maar het ook echt ménen. En het niet alleen ménen, maar zó met die mens omgaan dat hij voelt en ervaart hoezeer je hem respecteert en waardeert. Dat is hem de goede boodschap melden.

 

Je kunt het niet zonder hem je vriendschap aan te bieden: een werkelijk belangeloze vriendschap zonder neerbuigende vriendelijkheid, vriendschap waaruit vertrouwen en diepe achting spreekt. We moeten naar de mensen gaan. Dat is een delicate zaak. Want de wereld van de mensen is een onmetelijk slagveld waar gevochten wordt om rijkdom en macht. Gods gelaat gaat verborgen achter teveel lijden en wreedheid.

 

Als we naar de mensen gaan, moeten we dat doen als boodschappers van vrede en getuigen van God, mensen zonder minachting en zonder zelfzucht, mensen die in staat zijn, werkelijk hun vrienden te worden. Onze vriendschap verwachten zij, een vriendschap die hun laat aanvoelen, dat God van hen houdt, dat Jezus hen liefheeft.’ Ondertussen was de zon achter de bergen verdwenen. Het was koeler geworden en er was een wind opgestoken die aan de bomen schudde. Bijna was het nacht en overal klonk ononderbroken het gesjirp van krekels.

 

 

Franciscus en Clara (4)

Het leven volgens het Evangelie van Franciscus en zijn eerste broeders, vond al vlug een diepe weerklank in het hart van een jong meisje van adel in Assisi. Ze was 18 jaar en heette Clara. Vastbesloten kwam ze Franciscus vragen haar aan de Heer toe te wijden.

 

Eerst leefde ze teruggetrokken in een klooster van de Benedictinessen, daarna in San Damiano. Een klein klooster dat even buiten Assisi ligt. Hier stichtte Clara de Orde van de Arme Zusters, beter bekend als de Clarissen. Hun ideaal bestond erin de meest verheven contemplatie te verbinden met een leven volgens het Evangelie in de grootste eenvoud en armoede.

 

Zelf heb ik veel bewondering voor Clara. Zij is voor mij een heilige, een warm – menselijke getuige van de levende kerk. Zoals alle heiligen, tot op de dag van vandaag, een tijdloze wegwijzer in de zoektocht van elke gelovige naar zinvol en gelukkig leven. Heiligen zijn spiegels waarin mensen zichzelf kunnen ontdekken. Clara is een van die spiegels.

 

Veertig jaar lang leefde zij een verborgen bestaan in de stilte van het klooster van San Damiano. Franciscus heeft Clara door zijn woord en voorbeeld de weg getoond en geleerd. De weg heet Jezus, de mensgeworden Zoon van God. Samen hebben Franciscus en Clara er voor gekozen om Jezus te volgen. In de arme en nederige Heer ontdekten zij tot welke ongehoorde vrijheid van goddelijk leven zij geroepen waren. Beiden hebben het gewaagd alle schijn, alle bezit, alle macht en eer af te leggen om, zoals Jezus, arm en nederig open te staan voor de volheid van de rijkdom van de Vader.

 

Clara staat vandaag weer levend tussen ons kwetsbare mensen. Vanuit de stilte en de verborgenheid spreekt zij woorden van bemoediging en vrede. De hartstochtelijke liefde die zij ontdekt in de mensgeworden Zoon van God, overtuigt er haar van dat alle mensen zijn opgenomen in zijn liefde. Haar vreugde overwint elke negativiteit. Graag wil ik in de volgende aflevering kijken naar haar leven zoals het ons wordt verteld door de zusters die jarenlang samenleefden met haar. Luisteren naar Clara is op zoek gaan naar leven, naar waarachtig leven.

 

5) Over Franciscus gesproken: Hoe Clara en Franciscus Kerstmis beleefden

Franciscus was ontroerd, blij en dankbaar als hij Kerstmis vierde. In Greccio, een klein stadje in Italië, bracht hij mensen op de been om midden in de nacht dit kerstgebeuren samen te beleven. In een bouwvallige schuur werd met een levende os en ezel en een kribbe het kerstverhaal in scene gezet. De mensen trokken met brandende fakkels, zingend en biddend naar de schuur waar Franciscus het kerstevangelie zong en preekte over dit Mysterie van Gods Menswording. Het raakte de mensen die nu van dichtbij konden beleven onder welke omstandigheden Jezus werd geboren.

Toch vond Franciscus dat er echt feest gevierd moest worden. Met Kerstmis moest de dank­baar­heid van de gezichten stralen en iedereen, ja heel de schepping moest kunnen meegenieten van Gods komst in ons menselijk bestaan. Van Franciscus, die heel streng en sober leefde, mocht er op Kerstmis niet gevast worden. Zelfs niet op Vrijdag, de dag van de kruisdood van de Heer.

Franciscus prepareert de kerststal

En bij Clara, zijn trouwste volgelinge, treffen we dezelfde feestelijke beleving van het kerstmysterie aan. In haar leefregel – de eerste kloosterregel door een vrouw geschreven – schrijft zij: “De zusters zullen altijd vasten, maar met Kerstmis, op welke dag dat ook valt, mag hen tweemaal een maaltijd worden opgediend.”

Op het einde van haar leven is zij niet in staat om naar de nachtmis te gaan. Zij moet in bed blijven. Toch was zij met haar hart zo geheel betrokken op dit Mysterie van Gods liefde, dat zij desondanks vanaf haar ziekbed alles helemaal meebeleefde. Haar levensbeschrijver vertelt dit aldus: “Zoals Clara in haar ziekte bij haar Christus was, zo bezocht ook Christus haar in haar ziek zijn”. In die kerst­nacht, wanneer de wereld met de engelen het pasgeboren kind toejuicht, gingen alle zusters naar de kapel voor het vroege ochtend­ge­bed en lieten hun zwaar zieke moeder abdis alleen. Toen Clara over de pasgeboren Jezus begon na te denken en zij er verdrietig over was dat zij niet aan hun lofzangen kon deelnemen, verzuchtte zij: “Heer God, daar ben ik nu, op deze plaats helemaal alleen bij U achtergelaten.”

Toen begon haar plotseling dat wonderbare gezang, dat in de kerk van de heilige Franciscus gezongen werd, in de oren te klinken. Zij hoorde de jubel van de zingende broeders, zij luisterde naar de liederen van de zangers. En dan te bedenken dat die kerk helemaal niet zo dichtbij was. Dus menselijkerwijs zou dit niet te horen zijn geweest, als niet door Gods werking die plechtigheid bij haar was gebracht, ofwel haar gehoor boven menselijke maat was gescherpt.

Wat heel dit klankwonder nog overtrof, was dat zij zelfs de kribbe van de Heer mocht zien. Toen haar zusters ’s morgens bij haar kwamen, zei Clara: “Gezegend zij de Heer Jezus Christus. Toen jullie mij alleen gelaten hebben, heeft Hij, de Heer, mij niet alleen gelaten. Door de genade van Christus heb ik werkelijk de hele plechtigheid gehoord, die deze nacht in de kerk van de heilige Franciscus gevierd werd.”

Natuurlijk kan ik mij voorstellen dat u zich afvraagt of deze gebeur­te­nis geen verzinsel is. Maar meerdere zusters, die samen met Clara leefden, vertelden dit gebeuren, in het proces van onderzoek naar de heiligheid van Clara, na haar dood.

Wij mensen van deze tijd hebben moeite met dit soort vrome verhalen. Per­soon­lijk ben ik wel wat jaloers op Franciscus en Clara. Zij gingen helemaal op in Gods liefde en tederheid, zoals die tot uiting kwam en komt in zijn Menswording. God wil bij ons komen, niet oppermachtig en afstandelijk, maar ontroerend nabij als een kwetsbaar kind, dat onze liefde en gelovige verzorging vraagt in de kwetsbare mensen om ons heen.

 

6) Over Franciscus gesproken: Op bezoek bij de Sultan

Voor Franciscus gaat het verkondigen van het evangelie gepaard met een leven van intens gebed en beschouwing. Vaak trekt hij zich terug in de eenzaamheid van een kluis om er al mediterend weg te zinken in het mysterie van Gods aanwezigheid. Hier is het dat Franciscus de evangelische geest inademt, terwijl hij zich dagen en weken lang overgeeft aan de meditatie van de levende aanwezigheid van Christus. Franciscus heeft Christus hartstochtelijk liefgehad: hij zag in Hem God zelf die zich meedeelde aan de wereld: de grenzeloze doorbraak van Gods liefde. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de hele wereld zijn actieterrein was. Aan alle mensen wou hij het Evangelie brengen.

Franciscus bij sultan Melek Al Kamil

Met gevaar voor eigen leven trok hij naar Egypte om er de sultan te ontmoeten. Franciscus vertelt ons daarover het volgende verhaal (met het woord ‘Saracenen’ zijn de Islamieten bedoeld).

‘Mijn bezoek aan sultan Melek – Al – Kamil was een omstreden zaak. Paus Innocentius was bezeten van de kruistochtgedachte. De Saracenen, die het Heilig Land hadden veroverd en Europa bedreigden, moesten bestreden worden in een ‘heilige oorlog.’

Maar ik vroeg me af, of dit de manier is om ongelovigen tot geloof te brengen. Volgens mij is de onverdraagzaamheid van een ‘heilige oorlog’ in strijd met ons ideaal van vrede en geweldloosheid. Door oorlog wordt het Rijk Gods niet opgebouwd.

Daarom besloot ik de kruisvaartridders achterna te gaan. Niet om aan hun zijde mee te vechten, maar om met de sultan in gesprek te komen. Ik weigerde elke bescherming van mijn tocht, zoals aanbevelingsbrieven van de Paus en dergelijke. Geheel weerloos ben ik op weg gegaan, dit in tegen­stel­ling tot de kruisvaartridders, die tot de tanden gewapend waren.

In 1219 kwam ik aan in het kamp van de kruisvaarders te Damiate. Ik heb nog geprobeerd hen van een slachtpartij af te houden. Tevergeefs! Zij werden verslagen en op de vlucht gedreven.

Met broeder Illuminato ben ik toen op weg gegaan naar de sultan. Wij voelden ons als schapen onder wolven. De voorposten van de Islamieten pakten ons op, en dat gebeurde niet bepaald zachtzinnig; zij dachten, dat ze met kruisvaarders te doen hadden. Wij riepen voordurend: ‘Sultan, sultan, sultan’, het enige woord dat wij in hun taal kenden. Langzamerhand gingen de soldaten begrijpen, dat wij de sultan zelf wilden zien. Zij vermoedden, dat wij misschien wel belast waren met een geheime opdracht, na de nederlaag van de christenen. Daarom werden wij bij sultan Melek – Al – Kamil gebracht.

Deze vroeg ons, uit wiens naam en met welke bood­schap wij kwamen. Wij maakten hem duidelijk, dat wij niets met de kruistocht te maken hadden, dat wij geen geloofsbrieven hadden en geen diplomatieke opdracht, maar enkel kwamen in naam van het evangelie.

De sultan luisterde welwillend naar ons, ook toen wij op enthousiaste wijze ons geloof beleden. Vooral raakte hij geboeid door de punten van over­een­komst tussen de levenswijze volgens het evangelie en de levenswijze volgens de koran, want de sultan was een gelovig man. Toch waren we niet in staat hem tot het evangelie over te halen.

‘Al hebben we ons doel niet bereikt, ik blijf geloven in de macht van de liefde.’

 

Pater Bertus Bus

(bron: www.katholiekbommelerwaard.nl)

 

 

 

 

 

Deel dit artikel