Wiebeltand

 

Het was na een doopviering. De familie was druk doende foto’s te maken van de dopeling en diens ouders, peetouders, tantes, ooms en andere belangstellenden. Een klein meisje kwam naar me toe lopen en zei: “Pastoor, kijk, ik heb een wiebeltand.” Een losse melktand wiebelde inderdaad vervaarlijk onder haar wijsvinger. Bewonderend bekeek ik het kleine melktandje dat z’n langste tijd wel had gehad. “Zo, pas maar op, hij valt er zo uit”, zei ik. Naast haar was inmiddels een nóg kleiner jongetje gaan staan, misschien een jaar of vier oud. “Heb jij ook een wiebeltand?”, vroeg ik hem. Het jongetje kreeg niet de kans om te antwoorden, want het meisje zei direct heel beslist: “Nee, die krijg je pas als je groot bent.” Daarmee was ook meteen de conversatie beëindigd en huppelde ze naar de volgende om haar bijzondere tand te laten zien.

 

Vanmorgen, in de Evangelielezing bij het vieren van de dagelijkse Eucharistie, was Jezus duidelijk over de vraag wie de grootste is in het Rijk der Hemelen: “Voorwaar, Ik zeg u, als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan. Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind, is de grootste in het Rijk der hemelen. En wie in mijn Naam zulk een kind opneemt, neemt Mij op. Hoedt u er voor een van deze kleinen te minachten, want Ik zeg u: zij hebben engelen in de hemel en deze aanschouwen voortdurend het aangezicht van mijn Vader, die in de hemel is.”

 

Het meisje vond zichzelf, in al haar onschuld, al heel groot. Tegelijk maakte ze heel duidelijk hoe relatief de begrippen ‘groot’ en ‘klein’ zijn. Het gaat om de context waarin ze worden gebruikt. Zo gaf Toon Hermans (of was het iemand anders?) al eens het voorbeeld van de drie haren: “Drie haren in de soep is veel, drie haren op je hoofd is weinig.”

 

We staan aan het begin van een nieuw werkjaar in onze parochie. Ons parochieleven wordt al een groot deel van dit jaar bepaald door de ontwikkelingen rond het coronavirus. We kunnen ons beklagen over alles wat er nu niet kan, of alle maatregelen nog wel echt nodig zijn. De aandacht hiervoor kan verslappen. Laten we dat niet doen. Laten we ons verheugen over wat er wél kan en wat er nog wél mogelijk is. Alles is relatief, zelfs een kind kan ons dat laten zien. Laten we het komende werkjaar de vermaning van Jezus ter harte nemen: het kleine wordt groot(s). Ja, alles is relatief. Om dat te snappen hoef je geen Einstein te zijn.

 

pastoor Albert Buter

 

 

 

 

 

Deel dit artikel