OVERWEGING 17-18 januari 2026

 

Jesaja 49, 3.5-6; 1 Korinthe 1, 1-3; Johannes 1, 29-34   paraplu

Hadden we de laatste weken steeds onze muts en wanten aan, misschien een ijskrabber of een sneeuwschuiver in de handen, deze week kwam opeens de paraplu weer tevoorschijn. Even wennen, eerlijk is eerlijk.

En toch is het misschien vandaag wel extra mooi om de paraplu erbij te hebben omdat christenen van allerlei kerkelijke achtergronden, inclusief zelfs de Armeense kerk, zich vandaag en deze week verzamelen in kerken om te vieren dat we samen schuilen onder de paraplu van het christendom, en er veel meer is dat we gemeenschappelijk hebben dan apart, dat er veel meer is dat ons bindt dan dat ons scheidt. Eigenlijk wisten we dat al, maar zolang we alleen met de eigen paraplu over straat gaan, niet met elkaar optrekken, niet weten wat die ander beleeft, gelooft, wat die ander bezighoudt als het gaat om geloof, om hoop, om liefde, dan is geloven een eenzaam gebeuren. En dat is nu net niet de bedoeling: vandaar de week van gebed voor de eenheid van de christenen, een initiatief van de Raad van Kerken.

We lezen vandaag in het evangelie nog even het nawoord op de Doop van Jezus in de Jordaan. En misschien zijn we verbaasd als Johannes zegt: ook ik kende Hem niet… het was immers zijn achterneef, maar… pas toen Johannes Jezus doopte in de Jordaan, zag hij dat ‘de Geest als een duif uit de hemel neerdaalde en op Jezus bleef rusten.’ En daarom getuigt hij nu: ‘Deze is de Zoon van God,’ want nu weet hij heel zeker dat Jezus de Messias is. Johannes was niet alleen voorloper van Jezus, ook voorloper van óns: De vraag stelt zich ook aan ons: Kennen wij Jezus, de Zoon van God?

Velen van ons zijn kort na onze geboorte gedoopt. Op school en misschien in de catechese hebben we over Jezus geleerd. In kerkdiensten horen we over zijn woorden en daden van liefde en vrede. Maar kennen we Hem echt? Maken we van zijn woorden en daden ook ónze woorden en daden? Of is Jezus langzaam iemand geworden van 2000 jaar geleden, ver weg van ons in de tijd en in ons leven? Of zien we in Jezus vooral de Kerk met mooie woorden maar ook met moeilijke regels en verplichtingen?

Afgelopen week nog zei iemand die haar man verloor: Nee, het afscheid doen we maar niet in de kerk, want we kwamen er de afgelopen 40 jaar niet meer.

Nellie, is het hypocriet dat we jou toch vragen om te spreken bij het afscheid op locatie en dat de klok voor mijn man luidt? En het eerste dat ik mezelf toen hoorde zeggen, is: nee, als christenen ben je altijd één grote familie. Net als toeristen in één groep de paraplu van de gids volgen, zo hoor je bij de groep van Jezus, ongeacht hoe je het invult. En zo is het ook: éénmaal onder die paraplu van Jezus betekent dat dit in je huid, in je huis, in je doen en laten gaat zitten. Zonder dat we dat zo beredeneren, doen we veel om Jezus te volgen in woorden en daden. En ergens is er altijd dat oer-vertrouwen dat we veel zekerheden kunnen loslaten omwille van Hem, dat het zeer de moeite waard is om afstand te doen van ons eigenbelang. Christen-zijn is eerst en vooral: ruimte maken voor ánderen onder de paraplu waaronder je leven zich afspeelt. Zelf kleiner durven worden, zodat Jezus groter kan worden in ons. Dat klinkt mooi, bijna idealistisch, maar dat is wel dat Hij ons leerde: dat we Hem juist ontmoeten in de kwetsbare armen, zieken, eenzamen, vluchtelingen, ook in onze eigen kwetsbaarheid. Dat Hij er ook is als houvast en gids bij onze vragen, bij onze twijfels, onze onzekerheden, onze wonden…

Een wereld waarin steeds minder mensen Jezus kennen en willen kennen, maakt geloven niet makkelijker. In ons evangelieverhaal valt voor het eerst de naam Jezus, maar Hij neemt nog niet het woord. Wel horen we Johannes, die roept in de woestijn: ‘Zie het Lam van God, die die de zonde van de wereld wegneemt’. Het zijn woorden die een vaste plaats hebben gekregen in de liturgie. Nu denken we vaak: Wat is dan die zonde die het Lam van God van de wereld wegneemt?

Is het de zonde dat mensen niet meer onder dezelfde paraplu door het leven willen gaan? Dat we elkaar als familie niet meer erkennen? Is het de zonde dat steeds minder mensen God willen kennen, en dat daarom nog steeds christenen wereldwijd worden bespot, beroofd, vervolgd, vermoord?

Of dat we alleen hechten aan gebouwen en niet over muren en grenzen heen kijken?

In het begin van dit kerkelijk jaar zien we de Jezus, die zelf als Paaslam werd geofferd, die oog had voor de verdwaalde schapen van de wereld, maar die ons uiteindelijk ook tot één familie maakt, die – van welke kerk of geloofsrichting ook – ons blijft verzamelen onder die ene paraplu. Christen ben je en christen blijf je, tot in eeuwigheid. Amen.

Pastor Nellie Hamersma

 

OVERDENKING OECUMENISCHE DIENST MARKTPLEINKERK WINSCHOTEN

Gebedsweek voor de eenheid, 18 januari 2026   Efeziërs vs. 1-13    paraplu

Hadden we de laatste weken steeds onze muts en wanten aan, misschien een ijskrabber of een sneeuwschuiver in de handen, deze week kwam opeens de paraplu weer tevoorschijn. Even wennen.

En toch is het misschien vandaag wel extra mooi om de paraplu erbij te hebben omdat christenen van allerlei kerkelijke achtergronden, inclusief zelfs de Armeense kerk, zich vandaag en deze week verzamelen in kerken om te vieren dat we samen schuilen onder de paraplu van het christendom, en er veel meer is dat we gemeenschappelijk hebben dan apart, dat er veel meer is dat ons bindt dan dat ons scheidt. Eigenlijk wisten we dat al, maar zolang we alleen met de eigen paraplu over straat gaan, niet met elkaar optrekken, weet je niet wat die ander beleeft, gelooft, wat die ander bezighoudt als het gaat om geloof, om hoop, om liefde. En daar gaat ‘t om, daar gaat ‘t in t hele leven om.

Veel van wat wij doen en beleven, zowel in onze kerken áls in de samenleving áls in onze privé-situaties is gestoeld op oude woorden, op de wortels van het christendom. Zo is de Armeense kerk ook één van de oudste kerken in de wereld: zij heeft een heel andere geschiedenis als de Westerse kerk: als we bedenken dat Armeense christenen al ontzettend vaak verdreven zijn, dat ze veelvuldig vervolgd zijn terwijl zij, net als wij, gewoon hun geloof in eenheid met – onder de paraplu van – alle christenen van de wereld willen beleven, dan ráákt ons dat. Als we vandaag de titel ‘broeders en zusters’ horen terugkomen, dan betekent dit gewoon dat we familie zijn, dat we een paraplu delen – dat we, ook al komen we uit verschillende geloofsachtergronden, culturen en talen, dat we één van Geest zijn en één van Geest in het leven en in het geloof staan.

Gods Heilige Geest, waar de brief aan de Efeziërs over spreekt, verbindt ons en helpt ons. Altijd.

We hoorden in het Johannes-evangelie over het licht.

Omdat de liturgie vandaag geïnspireerd is op de zonsopgangsviering uit de Armeens-apostolische Kerk, is de gedachte dat Christus het licht van de wereld is, heel belangrijk. Ik hoef u niet te vertellen dat er in onze wereld veel duisternis is… niet alleen door de bekende oorlogen, maar ook door agressie van mensen naar elkaar, naar familie, naar de overheid, naar hulpverleners, naar mensen uit andere landen… we vragen ons steeds meer af: hoe komt het toch dat mensen het licht niet meer zien? Lopen ze te veel alléén onder hun paraplu? Verschuilen ze zich tegen het licht? Misschien dat we als christenen, nu meer dan ooit, beseffen dat het licht van God nodig is om elkaar te zien en, om ook te zien waarheen de weg naar de toekomst loopt. Het is pijnlijk te merken dat de grenzen van landen weer steeds méér bewaakt worden uit angst voor aanvallen… en het is bemoedigend te geloven dat het licht van God voor álle mensen bedoeld is, over alle grenzen heen, wij zijn ‘kinderen van het licht’ schrijft Johannes en daarin gelden geen grenzen.

Wij zijn daarin familie, samen onder die éne paraplu van het christendom, hoe we het ook beleven of in praktijk brengen.

Afgelopen week vroeg iemand die haar man verloor: Nee, het afscheid doen we maar niet in de kerk, want we kwamen er de afgelopen 40 jaar niet meer.

Nellie, is het hypocriet dat we jou toch vragen om te spreken bij het afscheid op locatie en dat de kerkklok voor mijn man luidt?

 En het eerste dat ik mezelf toen hoorde zeggen, is: nee, als christenen ben je altijd één grote familie. Net als toeristen in één groep de paraplu van de gids volgen, zo hoor je bij de groep van Jezus, ongeacht hoe je het invult. En zo is het ook: éénmaal onder die paraplu van Jezus betekent dat dit in je huid, in je huis, in je doen en laten gaat zitten. Zonder dat we dat zo beredeneren, doen we veel om Jezus te volgen in woorden en daden. En ergens is er altijd dat oer-vertrouwen dat we veel zekerheden kunnen loslaten omwille van Hem, dat het zeer de moeite waard is om afstand te doen van ons eigenbelang.

Christen-zijn is eerst en vooral: ruimte maken voor ánderen onder de paraplu waaronder je leven zich afspeelt. Zelf kleiner durven worden, zodat Jezus groter kan worden in ons. Dat klinkt mooi, bijna idealistisch, maar dat is wel dat Hij ons leerde: dat we Hem juist ontmoeten in kwetsbare armen, zieken, eenzamen, vluchtelingen, ook in onze eigen kwetsbaarheid.

Dat Hij er ook is als houvast en gids bij onze vragen, bij onze twijfels, onze onzekerheden, onze wonden…

Paulus schrijft het vanuit de gevangenis aan de christenen van Efeze: Aan ieder van ons is genade geschonken, naar de maat die Christus geeft.  En hoe we ons ook bewegen in Gods éne Kerk, als apostelen of profeten, als verkondigers, herders of leraren, samen vormen we als christenen één volk onder één paraplu, lichaam van Christus, ook anno 2026.